Online kindergroepen maken het probleem van pesten complex (en wanneer spreken we van ‘pesten’?)

Wanneer heb jij voor het laatst iemand geschopt of geknepen?

Of een ruzie uitgelokt omdat je je verveelde? Wanneer pakte je nog eens iemands vriendin af omdat je die helemaal alleen voor jezelf wou? Wanneer ging je nog eens bovenop het hoofd van je vriend zitten om te tonen dat je de sterkste was?

De kans is groot dat je één of meerdere van deze dingen voor het laatst in de middelbare school deed.
De juiste sociale vaardigheden leren is een lange weg die je moet afleggen. En lagere schoolkinderen staan nog maar aan het begin van die weg.

Meerdere keren per schooljaar word ik geconfronteerd met uitspraken als “Ze pesten mij!” of “Mijn kind wordt gepest.”
Nagaan wat er precies aan de hand is en op een gepaste manier ingrijpen vind ik één van de moeilijkste dingen van mijn job. Een gesprek met de betrokken partijen brengt tijdelijk soelaas maar binnen de kortste keren zijn ze weer vertrokken op hetzelfde elan.

Het woord pesten wordt te vaak misbruikt.

Pesten is voor mij een zwaar geladen woord. Het roept het beeld op van het weerloze, onschuldige slachtoffer en die gemene pestkop. En dan heb je ook nog de meelopers die niet eens ingrijpen en zelfs meedoen!
Ik geloof oprecht in de goedheid van de kinderen van mijn klas en ik kan mij moeilijk neerleggen bij dergelijke stempels. Na zoveel jaar in het onderwijs kan ik je met de hand op het hart zeggen dat zo’n situatie eerder uitzonderlijk is. Het is zelden zo zwart-wit als je soms leest.

Hoe kan je als leerkracht inschatten of het om pesten gaat? Misschien zijn de kinderen van de klas wel gewoon aan het ruziemaken? En is dat ruziemaken dan niet gewoon een onderdeel van hun leerproces om in een groep te leren functioneren?

Samenleven in een klas is een oefening in sociale vaardigheden. Kinderen stellen nu gedrag dat ze, als alles goed gaat, zullen afleren omdat het not done is in onze maatschappij.

Kinderen hebben anno 2017 ook online intensief contact met elkaar.

Van het moment dat de eerste leerling wakker wordt totdat de laatste leerling gaat slapen wordt er doorlopend met een beschikbare klasgenoot gechat, geskyped, gesnapchat, gestuurd, geappt…
Kinderen maken chatgroepen op Facebook, Whatsapp en in Messenger. Soms hebben die groepen leuke namen zoals “L5 is cool”. Soms hebben ze minder leuke namen zoals “Wij haten …”
Afhankelijk van de goodwill van de groepsleden mag leerling A in de groep en leerling B niet. Binnen de groepen wordt ook al eens gewisseld van leden. De ene vliegt eruit en de andere mag er na lang aandringen opnieuw in.

Het is dus ook een hele leerschool om online op een goede manier met elkaar te leren omgaan. En het is niet moeilijk om in zo’n online omgeving te gaan cyberpesten. De kinderen die online gemeen zijn, zijn op dat moment boos of gefrustreerd en reageren zich af met behulp van de technologie binnen handbereik.

Ouders en leerkrachten zijn op een andere manier opgegroeid.

Wij hadden tijdens onze jeugd het internet nog niet aan onze vingertoppen. We kunnen ons wel voorstellen hoe het er in zo’n online kindergroep aan toegaat aangezien we zelf online actief zijn. Maar we zijn er niet mee opgegroeid.
En we zijn ook al sociaal vaardig genoeg om de grenzen van ons online gedrag niet te overschrijden. Dus we kijken met die bril naar hun gedrag.

Je hebt verschillende opvoedstijlen van ouders als het over internetgebruik gaat.

Er zijn bijvoorbeeld kinderen die nog niet (voor hun plezier) op het internet mogen. Daar valt iets voor te zeggen. Het is gezond om de schermtijd van een kind te beperken. Het nadeel is dat die kinderen een stukje van de informele informatie die de klasgenootjes voor en na school met elkaar uitwisselen missen. En zij maken ook geen deel uit van de band die de klasgenootjes online met elkaar smeden.

Sommige ouders volgen de online activiteiten van hun kind mee. Ze kunnen meelezen omdat ze over de inloggegevens van hun kind beschikken. Daar valt ook iets voor te zeggen. Het is een kans om in gesprek te gaan met je kind, om het weerbaar te maken, om een en ander te duiden, om afspraken te maken.
Maar het is een dunne lijn. Enerzijds is het fijn dat ouders meekijken om te sturen en te beschermen. Anderzijds hebben kinderen recht op privacy. Dat staat in de kinderrechten.

Je hebt ook ouders die zich in de online conversatie gooien. Dat is volgens mij nooit een goed idee.
Soms ziet de ouder heel gemene dingen passeren. Dan is het heel moeilijk om je niet te moeien. En dus nemen ze het toetsenbord over: “Het is hier de mama van Polleke. Het moet gedaan zijn met Polleke te pesten. Anders zal ik eens…,”
Zo’n dingen kunnen heel even de boel lam leggen. Maar het lost niets op.

Sommige kinderen mogen ongecontroleerd op het internet. Dat kan ook een keuze zijn. Zolang je maar blijft interesse tonen in de online activiteiten van je kind.

Want je kan aan een kind niet zien wie online gemeen is en wie niet.

Kinderen die de neiging hebben om op school gemeen te zijn tegen anderen, zijn dat ook online. En wie in de klas probleemgedrag vertoont, zal dat ook online doen.

Dat is anders bij de kinderen die enkel online gemeen zijn. Sommige kinderen die online probleemgedrag vertonen, zijn in het echte leven modelleerlingen.
En er is ook geen verband tussen studieresultaten en pestgedrag. Het is perfect mogelijk dat een leerling met goede resultaten online de klasgroep domineert.

Het internet heeft pesten een pak complexer gemaakt.

Pesten beperkt zich niet tot de speeltijd. Er is een online wereld waar ouder en leerkracht weinig zicht op hebben. Daarom mogen we ons niet teveel verliezen in het blussen van de brandjes van het moment. We hebben de veel grotere verantwoordelijkheid om onze kinderen op te voeden tot sociaal vaardige persoonlijkheden, online en offline.

Bronnen